Stichting Lucky Child

STICHTING LUCKY CHILD

DOEL

Utrecht, 12 september 2005

Toespraak van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Clémence Ross – Van Dorp, tijdens de tweede conferentie Operatie Jong

Dames en heren,
Iets meer dan een jaar geleden vond de eerste conferentie van Operatie Jong plaats.
Ik mocht u toen ook toespreken.
Ik sprak toen vooral over samenwerking. Organisaties en instellingen die zich met jongeren bezighouden moeten verder kijken dan hun eigen deelterrein, vertelde ik u. Heb oog voor de hele keten die rondom kinderen is georganiseerd. Zorg ervoor dat je van elkaar weet wie wat doet en wie waarvoor verantwoordelijk is.

Nu zijn we 15 maanden verder. Dit is een mooi moment om terug te kijken én vooruit te kijken. Ik begin met terugkijken. En als ik dat doe, valt me in de eerste plaats op dat we in de afgelopen periode veel werk hebben verricht en veel in beweging hebben gezet.
Er zijn nieuwe regels gemaakt, oude regels zijn tegen het licht gehouden en in sommige gevallen naar de prullenbak verwezen. We hebben onderzoeken verricht en overeenkomsten gesloten. En er is een nieuwe Wet op de jeugdzorg gekomen.
Maar bovenal zijn we er allemaal van doordrongen geraakt dat we de jeugdzorg grondig moeten aanpakken. Dat we allemaal kritisch naar ons werk moeten kijken om na te gaan hoe we jongeren beter kunnen helpen.

Om uw geheugen op te frissen zal ik een paar voorbeelden noemen van initiatieven die zijn genomen en die volgens mij zeker een bijdrage leveren aan een betere jeugdketen.  Ik zeg u nu al vast dat ik niet volledig ben in mijn opsomming. Allereerst: de zogenaamde Jong Overeenkomst.
In april van dit jaar hebben het kabinet, dertien gemeenten, twee provincies en twee stadsregio's afgesproken om onderling tot een sluitende samenwerking te komen. Op die manier moet voorkomen worden dat jongeren bij de hulpverlening tussen de wal en het schip vallen.
Ik verwacht veel van deze overeenkomst en hoop dat het ons concrete aanbevelingen biedt om goede samenwerking tussen instanties en organisaties te realiseren. En ik hoop en verwacht dat de 13 gemeenten ook na het beëindigen van de Jong-overeenkomst verder blijven gaan op de ingeslagen weg. Van groot belang is ook het advies van de Inventgroep over hoe we tijdig gedrags- en opvoedproblemen kunnen signaleren. Dit belangrijke advies over vroegsignalering heb ik zojuist in ontvangst mogen nemen. Nogmaals bedankt hiervoor. We beschikken nu over een wetenschappelijk onderbouwd risicoprofiel en een lijst van succesvolle interventies.
Als vervolg hierop gaan de onderzoekers de wetenschappelijke aanbevelingen vertalen naar bruikbare toepassingen. Als dat gereed is wil ik in het voorjaar in een aantal gemeenten met het risicoprofiel proefdraaien: we gaan dan onder meer hulpverleners trainen in het gebruik van het risicoprofiel. Ik verwacht daar veel van.
In het verlengde van het advies van de Inventgroep, ligt het Kennisprogramma Jeugd.
Dit programma is ontwikkeld om te achterhalen wat wel en wat niet effectieve methoden van ingrijpen zijn. Inmiddels is er een databank beschikbaar waarin veelbelovend interventies zijn beschreven. U kunt ze vinden op www.jeudinterventies.nl.
Een andere belangrijke mijlpaal zijn de veranderingen in de Justitiële Jeugd Inrichtingen. Zoals u weet komen daar geregeld jongeren terecht die gesloten crisisopvang nodig hebben. Ze hebben geen strafblad en niks te zoeken tussen jeugdige criminelen.
Daarom heb ik met de Minister van Justitie en de Tweede Kamer de afspraak gemaakt dat deze jongeren onder de Wet op de Jeugdzorg komen te vallen.
Zoals ik al zei, mijn opsomming is niet compleet. Er is nog veel meer gebeurd. Ik kan helaas niet alles noemen. Daarvoor ontbreekt de tijd.
Desondanks wil ik nog wel even stilstaan bij een paar lokale initiatieven.
Zo werkt een aantal gemeenten sinds enige tijd met zogenaamde bemoeizorg.
Deze zorg vindt plaats als het vermoeden bestaat dat de gezondheid van het kind wordt bedreigd en als de ouders uit zichzelf geen hulp zoeken.
Een ander voorbeeld zijn de nieuwe crisisteams die zijn opgezet bij een aantal bureaus jeugdzorg. Deze teams gaan gezinnen met kinderen in een crisissituatie snel en zorgvuldig helpen.
Ik ben erg blij met deze initiatieven. Ze maken duidelijk dat steeds meer mensen doordrongen zijn van de noodzaak om het vangnet rondom jongeren te verbeteren.
Als ik zo kijk naar wat er allemaal in 15 maanden is gebeurd, ben ik er van overtuigd dat we op de goede weg zijn. Maar we zijn er nog niet.
Er kan én moet nog meer gebeuren om het stelsel van jeugdbeleid te verbeteren.
Dat blijkt uit recente, trieste incidenten met kinderen en gezinnen.
En dat bleek twee weken geleden overduidelijk toen de MO-groep met een rapport kwam over de soms lange wachtlijsten in de jeugdzorg.  Ik wil daar graag wat over zeggen.
Al sinds mijn aantreden als staatssecretaris besteed ik veel aandacht aan wachtlijstenproblematiek. Met de provincies heb ik daarom afspraken gemaakt over het terugbrengen van de wachtlijsten tot een aanvaardbaar niveau, eind 2006. Het kabinet heeft daarvoor in het hoofdlijnenakkoord vervolgens extra middelen beschikbaar gesteld. Dat desondanks de wachtlijsten op dit moment nog niet zijn opgelost, had ik verwacht. De bureaus jeugdzorg zijn er immers toe over gegaan om een kind eerder uit huis plaatsen als er spraken is van een ernstig bedreigende situatie. Bovendien is de bekendheid van de bureaus jeugdzorg vergroot waardoor er veel meer een beroep op wordt gedaan.
Overigens is wachttijd nog belangrijker dan wachtlijst: 100 kinderen die 1 dag op hulp moeten wachten is toch wat anders dan 10 kinderen die een jaar moeten wachten.
Maar dat de wachtlijsten zo sterk zouden toenemen, had ik niet kunnen voorzien. En natuurlijk is dat reden tot zorg. Daarom heb ik de problematiek onmiddellijk onder de aandacht van het kabinet gebracht. Inmiddels is besloten dat er dit jaar 5 miljoen beschikbaar komt om de wachttijden in de jeugdzorg aan te pakken. Volgend jaar volgt er nog vijf keer zoveel geld.
Dat is echter niet het enige dat op korte termijn gaat gebeuren.
Eind volgend jaar dient de meldcode kindermishandeling overal ingevoerd te zijn. Professionals uit de kinderopvang, het onderwijs en de jeugdgezondheidszorg kunnen vermoedens van kindermishandeling dan eerder en preciezer melden, omdat zij allemaal die meldcode hanteren.
En we werken hard aan het invoeren van het elektronisch kinddossier Jeugdgezondheidszorg. Daarin wordt alle relevante informatie van kinderen digitaal opgeslagen. Hulpverleners kunnen dan op eenvoudige wijze nagaan hoe de ontwikkeling en de situatie van een kind is en zo de zorgbehoefte van een kind goed in beeld krijgen. Ze kunnen ook zien of andere instanties met het kind werken of hebben gewerkt. Het elektronisch kinddossier helpt daardoor bij een goede overdracht tussen zorgverleners. Op die manier kan de juiste zorg op het juiste moment worden aangeboden.
Een leuk nieuwtje over dit onderwerp: het kabinet heeft 25 miljoen euro uitgetrokken om per 1 januari 2007 alle nieuwgeboren kinderen te koppelen aan het elektronisch kinddossier. Tegelijkertijd gaan gemeenten de papieren dossiers van andere kinderen omzetten naar het elektronisch dossier. Dit zorgt ervoor dat we de kinderen, waarmee het misloopt of kan lopen, sneller in het vizier hebben. En dat kan heel veel problemen voorkomen!
Dames en heren, ik heb gesproken over het verleden en de korte termijn. Tot slot wil ik nog iets zeggen over de langere termijn.
Eén van de zaken waar ik met veel belangstelling naar uitkijk, is het sturingsadvies van de commissaris Jeugd- en Jongerenbeleid, Steven van Eijck.
Dit advies gaat in op de discussie of we verder moeten met het huidige systeem van jeugdzorg, of dat we dat systeem moeten veranderen. Die discussie wordt niet alleen in Den Haag gevoerd, maar op verschillende plaatsen in ons land. Uitgebreid wordt er gesproken over de verschillende varianten en de daarbij behorende voor- en nadelen.
Ik vind dat een prima ontwikkeling en ben benieuwd naar uw visie.
Laten we de komende anderhalf jaar niet alleen gebruiken om zo snel mogelijk tot verbetering te komen, maar laten we die periode ook benutten om vooruit te kijken en verdergaande veranderingen bediscussiëren.
Van betekenis voor de langere termijn zijn ook de afspraken die ik met minister Rita Verdonk heb gemaakt. In het kader van de sportnota, die twee weken geleden is verschenen, wil ik met haar nagaan hoe we uitval van jongeren – en dan in het bijzonder allochtone jongeren – kunnen voorkomen met behulp van sport.
Sport is een uitstekend hulpmiddel. Door aan sport te doen, kunnen kwetsbare jongeren hun zelfrespect en zelfvertrouwen opkrikken. Tevens helpt sport om discipline en zelfbeheersing aan te leren en om sociale vaardigheden op te doen. Honderden sportverenigingen en sportscholen gaan zich hiervoor inzetten.
Overigens willen we daarbij verder kijken dan sport alleen. We willen ook dat jongeren zich gaan inzetten voor de sportvereniging. Bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk te doen.
Minister Verdonk en ik denken dat wanneer allochtone kinderen met succes hun plek vinden in een sportvereniging, dit positieve effecten heeft op hun ontwikkeling.
Het bevordert participatie en betrokkenheid en daardoor voorkom je dat jongeren ontsporen en uitvallen.
Minister Verdonk en ik reserveren hiervoor de komende vier jaar 50 miljoen euro.
Ik geloof dat ik nu lang genoeg aan het woord ben geweest. Ik ga afronden.
Maar dat doe ik niet zonder de wens uit te spreken dat ik over een jaar weer voor u mag staan. Ik ga ervan uit dat we dan met elkaar kunnen vaststellen dat er voor jongeren, die problemen ondervinden in hun ontwikkeling, een adequaat en doelmatig vangnet aanwezig is.
Een vangnet dat beschikt over een uitstekend signaleringssysteem, zodat we op tijd gepaste hulp kunnen bieden.

U hebt het afgelopen jaar duidelijk gemaakt daar aan mee te willen werken. Ik reken erop dat u ook het komende jaar op eenzelfde manier uw inzet toont om de jeugdzorg verder te optimaliseren!
Ik dank u voor uw aandacht.